Hoe emotioneel intelligent ben je? EQ staat voor Emotioneel Quotiënt. Kenmerken van emotionele intelligentie zijn o.a: empathie, zelfbewustzijn of zelfkennis, optimisme, kunnen afzien/impulscontrole  en sociale vaardigheden. Hoe/in welke mate heb jij deze persoonlijkheidstrekken of vaardigheden? Mensen met een hoog EQ zijn gelukkiger en succesvoller. Het goed nieuws is dat EQ niets met IQ te maken heeft en wel valt te verbeteren.

Vijf dimensies komen in dit verband aan de orde, en kunnen getest worden middels de EQ test van Penn Psychodiagnostics in Nijmegen, waar we voor gecertificeerd zijn.

Kennis van de eigen emoties, zelfbewustzijn, een gevoel herkennen op het moment dat het een rol speelt. Mensen met een grotere sensitiviteit inzake hun gevoelens zijn betere managers van hun leven dan mensen die het hieraan mankeert. Zij beslissen bijvoorbeeld beter welke baan te kiezen of welke partner ze moeten huwen. Psychoanalytici hebben deze capaciteit “het observerend ego” genoemd. In psychotherapie wordt deze factor vooral versterkt.

Gevoelens zodanig hanteren dat ze positief bijdragen aan het leven. Mensen die slecht erin slagen gevoelens van overmatige angst, depressie en irritatie af te weren hebben veel minder energie ter beschikking voor productieve doelen. We “managen” onze stemming en gevoelens op diverse manieren: door het lezen van een roman, het kijken naar een televisieprogramma, door sportbeoefening, of door het tot ons nemen van genotmiddelen.

Jezelf kunnen motiveren. Emotionele zelfcontrole en uitstel van impulsen maakt mensen productiever in hetgeen ze ondernemen. In een experiment kregen vierjarige kinderen de volgende keuze: zij konden nu een marshmallow opeten of wachten tot de proefleider een boodschap had gedaan en er dan twee krijgen. Degenen die 15 tot 20 minuten konden wachten en zichzelf vaak hielpen door hun ogen met hun handen te bedekken om al dit lekkers niet steeds te hoeven zien, bleken na de middelbare school uitblinkers te zijn. In sociaal opzicht waren ze vaardiger, effectiever, assertiever en beter bestand tegen de frustraties van het leven dan een grote groep van de marshmallow-eters die niet kon wachten. Ze waren minder neurotisch, gek op uitdagingen en betrouwbaar. Ze konden nog steeds uitstel van bevrediging met het oog op een bepaald doel verdragen. Met het oog op opvoeding liggen hier wel praktische wenken. Bijvoorbeeld uitstel van impulsbevrediging en het goed beoordelen van een sociale situatie kunnen worden geleerd. De ontwikkelingspsycholoog Walter Mischel, die de bovengenoemde studie met de marsmallows uitvoerde, stelt dat doelgericht jezelf opgelegde uitstel van bevrediging waarschijnlijk de essentie is van emotionele zelfregulatie. Dit kunnen we onze kinderen proberen bij te brengen.

Empathie: het herkennen van emoties in anderen. Mensen die beter in de gaten hebben welke subtiele sociale tekenen aangeven wat een ander nodig heeft, maakt hen betere leraren of verkopers. Het ontstaan van een gebrekkige empathie wordt meestal geplaatst in de relatie tussen moeder (verzorger) en kind in de eerste kinderjaren beginnend vanaf acht maanden. Er zijn opvoeders die systematisch bepaalde gevoelens van hun peuters en kleuters negeren en daarmee niet, wat we noemen, responsief zijn. Ontwikkelingspsychologische experimenten hebben het belang van responsiviteit van de opvoeder aangetoond. In ontdekkende psychotherapie wordt via het proces “correctieve emotionele ervaring” met name op dit punt vaak verbetering aangebracht in de belevingswereld van de patiënt.

Het kunnen hanteren van emoties van anderen. Deze vaardigheid maakt mensen tot goede leiders en maakt ze populair. In het om kunnen gaan met gevoelens van anderen toont zich doorgaans het vermogen de eigen gevoelens te herkennen en hieraan vorm te geven.